Claude Brasseur: “Populariteit garandeert nooit kwaliteit. Je moet talent en geluk hebben, de timing moet perfect zijn”

Het kon haast niet anders: Claude Brasseur, al jaren een welgerespecteerd acteur in Frankrijk, was voorbestemd om voor dit vak te kiezen. Zijn vader, acteur Pierre Brasseur (1905-72), destijds hoofdrolspeler in filmklassiekers als “Le quai des brumes” (van Marcel Carné, 1938, met Jean Gabin, Michèle Morgan, Michel Simon) of “Les enfants du paradis” (ook Marcel Carné, 1945, met Arletty), en zijn moeder Odette Joyeux (1914-2000), bekend van o.m. “Lettres d’amour” (1942), “Douce” (1943) en “Sylvie et le fantôme” (1946, alle van Claude Autant-Lara), hadden Frankrijk immers jarenlang verwend met hun films en vertolkingen.

Vandaar geen logische, maar wel een begrijpelijke keuze van zoon Claude (geb. 1936) om in de voetsporen van zijn illustere ouders te treden. En dat heeft hij met onderscheiding gedaan, met een filmcarrière van meer dan zestig jaar op zak; zijn bescheiden filmdebuut dateert uit 1956, waarna zijn gestage opmars volgde met naam, faam en twee Césars voor de komedie “Un éléphant ça trompe énormément” (1976, van Yves Robert, César voor de beste mannelijke bijrol) en de politiefilm “La guerre des polices” (1980, in de rol van politiecommissaris, bekroond voor de hoofdrol). Later volgde nog een nominatie voor “Le souper” (1992). Maar zijn grootste commerciële successen kende hij met de komedies “La boum” (1980) en de vervolgfilm “La boum 2” (1982) waarin hij de vader van Sophie Marceau speelde die op haar beurt met deze films werd gelanceerd. “La boum” verkocht in gans Europa destijds 15 miljoen bioscooptickets waarvan 4 miljoen in Frankrijk. Niet uitzonderlijk, maar wel ruim voldoende om de film een kassucces te bestempelen.

De ouders van Claude Brasseur: links zijn vader Pierre Brasseur met Arletty in “Les enfants du paradis” (1945), rechts zijn moeder Odette Joyeux. Foto’s: Film Talk Archief

Naast zijn carrière als acteur heeft hij ook zijn sportieve ambities weten te verzilveren door in 1983 aan de zijde van Jacky Ickx de rally van Parijs-Dakar op zijn naam te schrijven, wat heeft geleid tot een vriendschap voor het leven tussen hen beiden.

In juni 2012 zakte Claude Brasseur af naar Brussel om er in het Flagey-gebouw tijdens het Brussels Film Festival zijn (toen) meest recente film “Quand je serias petit” van en met Jean-Paul Rouve te komen voorstellen, een familie ‘dramedy’ met, naast Brasseur, Benoît Poelvoorde, Arly Jover en Miou-Miou in de andere hoofdrollen. In Flagey werd dit gesprek met de Franse acteur opgetekend.

In welke mate zijn je ouders doorslaggevend geweest in je keuze om acteur te worden?

Zij hebben op mij niet echt een invloed gehad om zelf ook acteur te worden, maar omdat ik opgroeide in het filmmilieu, heb ik wel ondervonden dat het boeiend en interessant was, en zo ben ik erin beland. Nu, zoveel jaren later, kan ik zeggen dat ik nooit heb gewerkt. De meeste mensen vertrekken ’s morgens naar hun werk om er te wérken, bij mij is dat anders. Ik spéél, en dat is een groot verschil. Voor de mensen die dan willen komen kijken, een film, een toneelstuk of wat dan ook, het biedt hen een vorm van ontspanning, en daar hebben we allemaal wel behoefte aan.

“Quand je serais petit” is een boeiend drama. Hoe heb je je personage benaderd? Hoe doe je dat, na al die jaren een personage creëren?

Bij elke nieuwe rol wil ik het personage zo goed mogelijk kennen, uit welk milieu hij komt, wat zijn achtergrond is, is hij rijk of arm, welk beroep oefent hij uit… Ik stel me zoveel mogelijk vragen om een zo compleet mogelijk beeld te kunnen vormen van de man om vanuit dat gezichtsveld mijn rol te spelen. Daarom heb ik niet echt een voorkeur voor een bepaald personage: zo heb ik zowel politieagenten als gangsters gespeeld. Ik ben een acteur, en dan komt het erop aan je personage zo goed mogelijk te brengen. Van zodra ik dan met het personage mijn huiswerk heb gemaakt, wordt er met de regisseur en de scenarioschrijver heel wat overlegd. Ik leg hen uit hoe ik het personage zie en hoe ik het gestalte wil geven. Als je met een goeie équipe kan werken, komen er altijd positieve resultaten uit de bus. Wat me heeft aangesproken in “Quand je serias petit” is dat je hier een man hebt die reflecteert naar zijn eigen jeugd en zich afvraagt waarom hij de man is geworden die hij nu is. De zoektocht naar een zekere symboliek, dat gegeven sprak me erg aan.

Je hebt in je lange carrière met heel wat regisseurs gewerkt. Wie springt eruit?

De meest toonaangevende regisseurs en filmpersoonlijkheden die ik heb gekend, zijn mensen als Marcel Carné [“Le pays d’ou je viens,” 1956], Jean Renoir [“Le caporal épinglé,” 1962], François Truffaut [“Une belle fille comme moi,” 1972], Jean-Luc Godard [“Détective,” 1985) en Édouard Molinaro, waarmee ik “Le souper” [1992] heb gemaakt. Maar ik werk nu veel minder dan vroeger. Ik doe het rustiger aan. Ik ben nu vaak in mijn tuin, ik heb m’n muziek, ik lees veel, zowel moderne literatuur als ook Marcel Proust of Honoré de Balzac, en er zijn ook de scenario’s die ik krijg toegestuurd.

De cover van “Ernest Hemingway: Artifacts From a Life” (2018), gepubliceerd door Simon & Schuster

Over schrijvers gesproken, met de Amerikaanse schrijver Ernest Hemingway [1899-1961] had je vroeger een speciale band, klopt dat? Kun je daar iets meer over vertellen?

Hij was mijn peter, maar daar ben ik me vroeger nooit van bewust geweest, ik was toen nog een kind. Hij was wel één van de beste vrienden van mijn vader, en pas veel later drong dat tot me door. Ik herinner me nog dat ik het als kind vervelend vond dat zijn baard altijd pikte, maar ik weet ook nog heel goed dat hij me meenam naar de corrida en om de tien meter stopte om een sangria te drinken. Hij was dan wel Mijnheer Hemingway, maar in mijn familie was hij heel gewoon. Ik ben er twee keer mee op vakantie geweest. Maar het was dus allemaal veel later dat ik besefte wie hij werkelijk was; als adolescent heb ik het fenomeen populariteit ook weten te relativeren door in contact te komen met alle vrienden van mijn vader zoals Arletty, Louis Jouvet, Bernard Blier, Jean-Paul Sartre, enz., ze praatten over Louison Bobet of Marcel Cerdan… Voor mij waren die mensen geen vedetten. Nu is er trouwens niemand van hen nog in leven. Als ik dan nadien met één van hen werkte, dan omhelsden ze me alsof ik nog een kind was.

Je zegt dat je het fenomeen populariteit relativeert. Wat bedoel je daarmee?

Populariteit is iets verraderlijks en ook heel relatief: als acteur moet je dat zeker niet nastreven, het is evenmin een norm om de kwaliteit van je werk te toetsen. Populariteit garandeert nooit kwaliteit. Je moet talent en geluk hebben, de timing moet perfect zijn. Vroeger was Rudolph Valentino een grote vedette, maar wie zegt dat men hem nog zou opmerken als hij nu aan zijn carrière begon? Je moet als het ware in de mode zijn en dat heb je niet in de hand. Je kan succes hebben van de ene dag op de andere, zoals steracteurs als Belmondo die “A bout de souffle” [1960] maakte, of Gérard Depardieu toen hij zich liet opmerken in “Les valseuses” [1974]. Ze stonden er meteen en het werd voor beiden het begin van een lange carrière. Maar anderzijds zijn er tal van voorbeelden die aantonen dat al die glorie, of die vorm van populariteit, even snel voorbij kan zijn.

Brussels Film Festival
8 juni 2012

De trailer van “Quand je serais petit”