Andrew L. Stone: “Paramount was een kleinere studio met meer vrijheid, en daar koos ik voor”

De Amerikaanse scenarioschrijver, regisseur en producer Andrew L. Stone (1902-1999; foto bovenaan met zijn eerste echtgenote Virginia L. Stone) is nu reeds lang een vergeten filmheld, en dat was hij jammer genoeg ook al op het einde van zijn leven. Toegegeven, op zijn palmares staan geen blitze meesterwerken of grote superproducties, de man leefde en werkte in Hollywood van eind jaren twintig tot in de jaren zeventig op een eerder kleinschalig niveau en vooral als onafhankelijke filmmaker in de breedst mogelijke zin van het woord, zelfs wanneer hij verbonden was aan een studio zoals Paramount of MGM. Maar dat maakte hem zeker niet minder. Bovendien intrigeerde hij me al vele jaren, niet enkel omwille van zijn lange carrière, maar ook omdat er vroeger—en nu nog altijd, zo blijkt—weinig informatie of lectuur over hem te vinden is. Dus vandaar dat ik, voor m’n vertrek naar Los Angeles in april 1999 en in de hoop er te kunnen praten met acteurs en regisseurs, druk in de weer was om contacten te leggen en mensen op te bellen en te faxen—waaronder dus ook Andrew L. Stone.

Ik beschikte toen nog niet over internet, en zocht mijn toevlucht tot boeken zoals “Film Directors: A Complete Guide” waarvan ik de zomer voordien een exemplaar op de kop had kunnen tikken in de destijds vermaarde Cinema Bookshop in Londen—13 Great Russell Street, weet je wel. Naast filmografieën van de vermelde regisseurs, vermeldde het boek bij de oudere filmmakers soms ook hun persoonlijk adres en in een aantal gevallen zelfs hun eigen telefoonnummer, zoals bij André de Toth en Andrew V. McLaglen, of Oscarwinnaars als Michael Anderson en Joseph L. Mankiewicz. En dat was dus ook het geval met Andrew L. Stone. Zo had je meteen een belangrijk en hoopgevend aanknopingspunt om mensen te contacteren, zonder al te veel gedoe met tussenpersonen zoals agents, managers of publicists—met alle respect voor het werk dat deze mensen verrichten, maar als je van hieruit mensen in Los Angeles wil bereiken, gaat er niets boven persoonlijke contactinfo. Het biedt geen garanties, maar er is zeker geen beter alternatief. Van de vijf genoemde regisseurs woonden er toen twee in Los Angeles, dat waren André de Toth (in Burbank) en Andrew L. Stone (Beverly Hills), en zo kwam ik bij hen beiden terecht. Maar hier dus het verhaal over en achter Mister Stone. André de Toth volgt later nog.

M’n eerste gesprek met Andrew L. Stone kwam er in maart 1999, per telefoon. Hoewel ik eerst wel twijfelde of ik zou telefoneren, want de man was uiteindelijk al 96, niet bepaald een leeftijd om een onbekende zomaar ongevraagd eens even vlug op te bellen. Maar uiteindelijk had ik geluk: ik kreeg zijn (tweede) vrouw Audrey aan de lijn, een energieke en kranige dame van pakweg 75, geboren en getogen in Engeland, die nog eens blij was iemand van haar eigen continent te kunnen spreken. “Hoe is het weer ginder?” was een van de eerste vragen die ze me stelde.

Andrew L. Stone in de montagekamer met zijn eerste echtgenote en rechterhand Virginia L. Stone. Foto: Marvin Paige Motion Picture and Television Archive

We praatten over koetjes en kalfjes, ik stelde me voor, zei haar wie ik was en wat ik deed, en dat ik over enkele dagen in Los Angeles zou arriveren voor interviews met filmveteranen. En vooral, zou haar man nog geïnteresseerd zijn om over zijn carrière te praten? Haar antwoord was kort en krachtig: “Wacht even, ik ga naar boven en geef hem meteen de draadloze telefoon, zo kan je meteen al met hem kennismaken.” Ja hoor, daar was hij dan aan de andere kant van de lijn, Andrew L. Stone. Ofschoon hij niet goed meer kon praten, werd het toch een hartelijke en uitgebreide begroeting. Hij was nog zeer helder van geest en—vooral—heel erg opgelucht om te horen dat er nog iemand belangstelling had in hetgeen hij tijdens zijn carrière had verwezenlijkt. Het was toen overigens al tweeënzeventig jaar geleden dat hij als regisseur debuteerde met de eigenhandig gefinancierde stomme film, de two-reeler “The Elegy” (1927) met Tyrone Power, Sr.

Stone was de laatste nog levende Amerikaanse regisseur die in Hollywood een stomme film had gemaakt, en toen ik enkele dagen later aan 10478 Wyton Drive in Beverly Hills op het afgesproken tijdstip aan zijn voordeur stond, werd ik opnieuw vriendelijk ontvangen door zijn vrouw die me meteen geruststelde. “Alles in acht genomen, voelt hij zich goed, maak je maar geen zorgen,” zei ze toen we de trap opgingen naar zijn kamer. Hij was al geruime tijd bedlegerig en toen we in zijn kamer binnenkwamen, zat hij rechtop in bed. Met een telefoon- en een faxtoestel binnen handbereik bleef hij in contact met de buitenwereld.

Andrew L. Stone was als regisseur een niet te onderschatten filmregisseur—nogmaals, hij was lang geen getalenteerd grootmeester, geen filmmonument, maar wel een hardwerkende en veelzijdige vakman die bovendien meestal zijn scenario’s zelf schreef en binnenin zijn eigen onafhankelijke unit zijn films ook produceerde. In 1943 richtte hij zijn eigen productiemaatschappij op, Andrew L. Stone Productions, en verzorgde van dan af de release van zijn films via United Artists.

Enkele films van Andrew L. Stone: “Stolen Heaven” (1938) met Gene Raymond en Olympe Bradna, “Confidence Girl” (1952) met Tom Conway en Hillary Brooke, “A Blueprint for Murder” (1953) met Joseph Cotten en Jean Peters, en “Ring of Fire” (1961) met David Janssen en Joyce Taylor.

Maar eerst even terug naar zijn beginperiode—eind jaren twintig dus—toen hij niet kon terugvallen op een ervaren leermeester of een volleerd regisseur die hem de knepen van het vak leerde. Bij hem lagen de accenten anders: het enthousiasme en de liefde voor het vak waren zijn voornaamste drijfveren. Als twaalfjarige bouwde hij in de achtertuin van het ouderlijk huis in de buurt van San Francisco een bescheiden minibioscoop met plaats voor vijftig kinderen en de films die hij er vertoonde, had hij gekocht van zijn eigen zakgeld voor één dollar per reel. Enkele jaren later kon hij in de stad aan de slag bij een filmdistributeur en als een echte selfmade man leerde hij gaandeweg de klappen van de zweep door ogen en oren te gebruiken toen hij in 1924 bij Universal in het prop department aan de slag kon. “Een belangrijke figuur was editor Jimmy Smith waarmee ik enkele keren heb samengewerkt. Hij verzorgde de montage van al de eerste Griffith-films: hij was een zeer efficiënt man, een echte no nonsense guy,” zei Stone. Bij het horen van de naam D.W. Griffith (1875-1948) hoort natuurlijk een logische vraag: Griffith ook persoonlijk gekend? “Nee, ik heb hem nooit ontmoet, maar we hadden wel verschillende gemeenschappelijke vrienden. Het was heel jammer om te zien hoe het met zo’n fenomenaal regisseur zo bergaf kon gaan. Zijn laatste films, zoals “The Sorrows of Satan” (1926), waren ronduit slecht, hij was niet meer mee met zijn tijd, en dat terwijl hij tien jaar eerder iedereen leerde hoe ze een film moesten maken.”

Stone’s carrière zat van bij het begin al meteen op het juiste spoor: “The Elegy” (1926) maakte de weg vrij voor zijn eerste (stomme) speelfilm, “Dreary House” (1928), maar toch duurde het nog enkele jaren alvorens hij hoofdzakelijk bij Paramount als regisseur pas echt goed op dreef kwam. Stone: “MGM had me ook een contract aangeboden, maar dan zou ik me moeten bezighouden met de stars te paaien en ze gelukkig maken, ik zou me dan voelen als een priester die zelf niet gelooft wat hij verkondigt. Bij Paramount zou ik me beter thuisvoelen: dat was een kleinere studio, minder grote vedetten, maar wel meer vrijheid, en daar koos ik voor. Ik verdiende er een pak minder, maar dat had ik er voor over.”

Stone was bovendien één van de weinige regisseurs die voor de studio’s heeft gewerkt zonder er ooit een kantoor te betrekken. “Het schrijven van mijn scenario’s, de voorbereidingen van de opnamen, enz. deed ik hier steeds bij mij thuis. Dit was mijn kantoor en mijn production office,” zegt hij. En dat huis in Beverly Hills was sinds 1937 al zijn kantoor en production office, en waar hij bijna onafgebroken heeft gewoond tot zijn dood, met uitzondering van zijn Engelse periode toen hij in de jaren zestig en zeventig een aantal jaren in Londen heeft doorgebracht.

Andrew L. Stone maakte dus ook de overgang mee van de stomme film naar de geluidsfilm: “De manier van werken bij het maken van een stomme film lag me beter dan bij de geluidsfilm. De regisseur kon tijdens de opnamen praten met de acteurs om in de scène naar een hoogtepunt toe te werken en de muzikanten op de set waren van onschatbare waarde, vooral bij zeer emotionele scènes. Ook op technisch vlak was de geluidsfilm een grote aanpassing: de camera bevond zich in een geluidsdichte box waardoor je nauwelijks met de camera kon bewegen, dat legde heel wat beperkingen op.”

Hij stond bekend als een onafhankelijk en autonoom filmmaker—een ‘maverick,’ zegt hij zelf—die heel rechtlijnige beslissingen kon nemen; filmen op locatie leek hem toen al vaak aangewezen en de meest logische oplossing, maar dat kon de studio niet altijd appreciëren: “Indien ik bijvoorbeeld een scène in een winkel wilde opnemen, dan ging ik liefst in een echte winkel filmen met echte klanten. Maar nee, de studio stelde me dan voor om er op zondagmorgen naartoe te trekken, met een pak figuranten, extra belichting, enz. Ik had altijd liefst een zo realistisch mogelijk effect.” Hij illustreert dit met de thriller “Cry Terror” (1958) met James Mason in de hoofdrol: de film werd integraal op locatie opgenomen en voor het draaien van enkele cruciale scènes in de metro van New York, zocht de voltallige crew zijn toevlucht tot de ondergrondse van de stad. Daar kon hij pas echt vinden wat hij zocht: natural sound and natural lighting, voor die tijd een niet alledaagse manier van werken, om zijn films zo realistisch mogelijk te maken.

Voor “The Last Voyage” (1960) met Robert Stack, Edmond O’Brien en Dorothy Malone, liet hij zich inspireren door de ramp met het Italiaanse cruiseschip Andrea Doria in 1956, en ging hij als regisseur nog een stap verder in zijn quest om de grenzen van het filmrealisme, zijn handelsmerk, op te zoeken: aangezien de film zich afspeelt op een passagiersschip dat zinkt, voegde hij de daad bij het woord en liet hij een echt schip zinken. En het schip dat hij in de film als drijvend wrak gebruikte, was de ooit vermaarde cruise liner SS Île de France die na de opnamen op een scheepswerf in Japan ontmanteld zou worden, maar voor vierduizend dollar per dag kon hij het schip—of wat er nog van restte—huren in zijn rampenfilm avant la lettre. “A character named Andy Stone thought of using the real thing,” schreef Robert Stack lakoniek in zijn autobiografie “Straight Shooting” (1980). Hij was niet de enige met ernstige bedenkingen: Edmond O’Brien omschreef Stone nadien als een psychopaat met een death wish, en Robert Stack schreef in zijn autobiografie verder dat hij geluk had de opnamen overleefd te hebben. “The Last Voyage” werd de voorloper van al de rampenfilms die nadien zouden volgen, en hij illustreerde Stone’s doorzettingsvermogen beter dan welke film ook: de man stond bekend als een vechter, ‘a throwback to the old style directors’ die aan de wieg stonden van de filmindustrie.

De trailer van “The Last Voyage”

De co-producer en editor van deze twee laatste films was Virginia L. Stone (1921-1997), zijn eerste echtgenote waarmee hij in 1946 was gehuwd. Ze gaf na hun huwelijk haar baan op als ‘music cutter’ bij United Artists om voor de twee kinderen te zorgen (regie-assistent L. Andrew Stone, geb. 1947, en componist Christopher L. Stone, geb. 1952), en om met haar man aan de slag te gaan bij het maken van hun films, van komedies tot film noir en nog veel meer: als een geölied team werkten ze onder de koepel van Andrew L. Stone Productions samen aan een tiental films. Met z’n beiden produceerden ze Stone’s films van 1952 tot zijn laatste film in 1972, hij zorgde telkens voor het scenario en de regie, zij deed achteraf de montage (en ze werd vaak geprezen omdat ze heel vakkundig de spanning wist op te bouwen), maar ze schreef intussen ook mee aan zijn scenario’s en aan de muzikale score. Hun match riep herinneringen op aan de samenwerking tussen Alfred Hitchcock en zijn vrouw Alma Reville.

Een greep uit hun andere films bevat o.m. de misdaadthriller “The Night Holds Terror” (1955) met John Cassavetes, en “Julie” (1956) waarin Doris Day ontdekt dat haar man Louis Jourdan een moordenaar is en dat zij mogelijk het volgende slachtoffer kan zijn. De film leverde Stone een Oscarnominatie op in de categorie ‘Best Original Screenplay’; het goud ging toen, ironisch genoeg, voor de eerste en enige keer in deze categorie naar een kortfilm, de Franse short “Le ballon rouge” van Albert Lamorisse. Voorts waren er ook nog Stone’s misdaaddrama’s “The Decks Ran Red” (1958, net zoals “Cry Terror” ook met zijn favoriete acteur James Mason) en “Ring of Fire” (1961) met David Janssen, de jonge acteur die zich in de sixties vooral met de TV-serie “The Fugitive” (1963-1967) op het voorplan werkte, gevolgd door komedies als “Never Put It In Writing” (1964) met Pat Boone, “The Secret of My Success” (1965) met Shirley Jones en Stella Stevens, en de biopic “Song of Norway” (1971), Stone’s voorlaatste en één van zijn minder fortuinlijke films over het leven van de Noorse componist Edvard Grieg wat haast logischerwijze op locatie in Noorwegen werd opgenomen.

Voor het brede publiek is de musical “Stormy Weather” waarschijnlijk zijn bekendste film; na Vincente Minnelli’s “Cabin in the Sky” (beide uit 1943) was het de tweede all-black cast film uit de jaren veertig, gerealiseerd door een grote studio (in beide films speelde Lena Horne de hoofdrol). Het werd de enige film die hij volledig in opdracht van een studio draaide (MGM in dit geval), en het was zijn enige film die hij niet zelf heeft geproduceerd. Het is dan ook verrassend een musical, niet meteen geen genre dat je hem zou toeschrijven, ofschoon hij in 1937 ook al “The Girl Said No” had gedraaid voor rekening van de Poverty Row-maatschappij Grand National Films dat drie jaar later door RKO werd opgekocht. Stone: “Ik vind “Stormy Weather” nog altijd een zeer goede film en voor mij is het ook het bewijs dat het studiosysteem wérkte, zij het dan dat ik verkoos te functioneren binnen dit systeem onder een zekere autonomie.”

Tussendoor engageerde hij actrices uit de periode van de stomme film, waaronder—op geregelde basis—minder bekende karakterspelers als Bess Flowers, Harold Miller, Bert Roach, Earle Hodgins, Franklyn Farnum of Jack Perrin. Maar hij liet ook zijn oog vallen op Mae Marsh (1895-1968) die in 1910 haar filmdebuut maakte en een glansrol speelde in Griffith’s “Birth of a Nation” (1915), en de uit Polen afkomstige ster Pola Negri (1897-1987), twee vedetten die hij als jonge snaak bewonderde. Laatstgenoemde was in de jaren twintig in de States een populaire diva die haar faam extra glans wist te geven door haar band met Rudolph Valentino (1895-1926), één van de meest charismatische acteurs uit de stomme film. Stone: “De agent van Pola Negri had me gecontacteerd toen ik bezig was met de voorbereidingen van “Hi Diddle Diddle” [1943], en hij stelde voor dat zij de hoofdrol zou spelen, in haar eerste Amerikaanse film in ruim tien jaar. Haar tegenspeler werd dan meteen Adolphe Menjou, één van haar co-stars uit haar stomme films.”

“Nu is Pola Negri al lang dood en vergeten,” zei hij, “na “Hi Diddle Diddle” maakte ze nog één film, “The Moon-Spinners” [1964], die beschouwd werd als haar nieuwe come-back, maar het werd uiteindelijk haar laatste film.” Eli Wallach, haar tegenspeler in deze film, zei jaren later nog tegen een Amerikaanse reporter, “Toen James Cagney na een lange afwezigheid terugkeerde met “Ragtime” [1981] bezorgde het de film veel extra publiciteit, maar de terugkeer van Pola Negri in “The Moon-Spinners,” na al die jaren van stilte, dàt was pas een come-back! Daar stond ze dan op de set, heel sereen en uiterst bewonderenswaardig, zij was de vrouw die nog had getreurd om Rudolph Valentino, het was haast als in “Sunset Boulevard.” Zij was nog steeds een grote dame, the movies had gotten smaller!’” En Stone voegde eraan toe: “Maar zo waren de vedetten van toen écht.” Het titelpersonage van “Fedora” (1978) van Billy Wilder, gespeeld door Marthe Keller, was overigens gebaseerd op haar.

Pola Negri was de eerste Europese actrice die in Hollywood een studiocontract tekende (Paramount, 1922) en er tijdens de stomme film een gevierde actrice werd. In de jaren dertig werkte ze vooral in Europa, en nadien volgden nog twee films in Amerika: “Hi Diddle Diddle” (1943, foto links met Martha Scott), en “The Moon-Spinners” (1964, foto rechts met Hayley Mills). Foto’s: Marvin Paige Motion Picture and Television Archive

Bovendien kende Stone de films van deze pioniers door en door: in filmmiddens stond hij bekend als een wandelende filmencyclopedie en diezelfde passie om de actualiteit in Hollywood op de voet mee te volgen, had hij op z’n 96ste nog niet verleerd. Naast zijn bed lag een stapel scenario’s en videobanden die hij de maanden voordien als lid van de Academy of Motion Picture, Arts and Science had ontvangen (met het oog op de voting voor de Oscars, maar dat liet hij over aan zijn vrouw) en hij was net begonnen een boek te lezen over de legendarische Franse theater- en filmactrice Sarah Bernhardt (1884-1923) die hij als tiener in San Francisco nog op de planken aan het werk had gezien en na afloop van de voorstelling zelfs persoonlijk mocht begroeten—hoever kun je in de geschiedenis met een man als Andrew L. Stone nog teruggaan? Sarah Bernhardt had zo’n diepe indruk op hem nagelaten dat hij die avond wist dat hij later koste wat het kost beroepshalve met acteurs zou werken.

Bij het rendez-vous met Stone vertelde hij dat hij gans zijn leven een fervente boekenwurm is geweest, en elk boek dat hij recentelijk had gelezen, werd netjes op een stapel naast de deur van zijn slaapkamer gelegd. Het waren er zeker twintig, maar dat was slechts een fractie van zijn eigen, immens archief aan filmboeken en naslagwerken dat hij door de decennia heen had opgebouwd.

Virginia L. Stone en Andrew L. Stone bespreken een scenario. Foto: Marvin Paige Motion Picture and Television Archive

Toen het tijd werd om afscheid te nemen, sloeg de toon jammer genoeg helemaal om. Ik wenste hem veel sterkte en het allerbeste toe, maar zijn antwoord was meteen: “Weet je, al de mensen waarmee ik heb gewerkt en waar we nu over hebben gesproken, zijn allemaal al lang dood en ik leef nog, dat is onrechtvaardig. Ik ben altijd heel actief geweest, ik heb tussen de opnamen van twee films door dit huis voor een groot deel zelf gebouwd, maar de voorbije twee jaar ben ik nauwelijks nog uit deze kamer geweest. Ik lééf gewoon te lang.” De volgende dag belde ik nog even met Mevrouw Stone om te informeren hoe het was met haar man. Ze zei dat hij het goed stelde en dat hij heel blij was dat er iemand van ‘de andere kant van de wereld’ is langsgekomen om met hem te praten over zijn carrière. Blijkbaar was er niet zoveel belangstelling meer voor hem, was hij dan helemààl vergeten?

Misschien wel, zo heb ik achteraf toch zelf kunnen constateren, want hij overleed in alle stilte op 9 juni 1999, een tweetal maanden nadat we mekaar hadden ontmoet. Voor zover ik weet heeft toen geen enkele publicatie gewag gemaakt van zijn dood. Pas maanden later hoorde ik van Marvin Paige, een bevriende Hollywood casting director en archivaris, dat zijn huis te koop stond, en op 11 december 2000—anderhalf jaar nà zijn dood—publiceerde het Amerikaanse vakblad Variety zijn overlijdensbericht.

Ofschoon Andrew L. Stone als regisseur nooit kon wedijveren met zijn favoriete compaan Billy Wilder, een waardiger afscheid had hij op z’n minst wel verdiend.

Los Angeles, Californië
6 april 1999

FILMS

DREARY HOUSE (1928) DIR Andrew L. Stone CAST Edith Roberts, Margaret Livingston, Ford Sterling, Noah Beery, Earle Hughes, Josef Swickard, Edwin August

SOMBRAS DE GLORIA (Spaanse versie van BLAZE O’GLORY, 1930) DIR Andrew L. Stone SCR Thomas Alexander Boyd (ook verhaal “The Long Shot”) CAM Arthur Martinelli ED Arthur Tavares CAST José Bohr, Mona Rico, Francisco Maran, César Vanomi, Demetrius Alexis, Juan Torena, Enrique Acosta, Tito Davison

HELL’S HEADQUARTERS (1932) DIR Andrew L. Stone PROD George W. Weeks SCR Norton S. Parker CAM Jules Cronjager ED Frank Atkinson CAST Jack Mulhall, Barbara Weeks, Frank Mayo, Phillips Smalley, Fred Parker, Everett Brown, Joe De La Cruz

THE GIRL SAID NO (1937) DIR – PROD Andrew L. Stone SCR Robert Lively, Betty Laidlaw (verhaal van Andrew L. Stone) CAM Ira H. Morgan ED Thomas Neff CAST Irene Hervey, Robert Armstrong, Paula Stone, Edward Brophy, William Danforth, Vera Ross, Holmes Herbert, Richard Tucker

STOLEN HEAVEN (1938) DIR Andrew L. Stone SCR Andrew L. Stone, Eve Greene, Frederick J. Jackson CAM William C. Mellor ED Doane Harrison CAST Gene Raymond, Olympe Bradna, Glenda Farrell, Lewis Stone, Porter Hall, Douglas Bumbrille, Joe Sawyer, Esther Dale

SAY IT IN FRENCH (1938) DIR – PROD Andrew L. Stone SCR Frederick J. Jackson (toneelstuk, Jacques Deval) CAM Victor Milner ED LeRoy Stone MUS Charles Bradshaw, Leo Shuken, John Leipold CAST Ray Milland, Olympe Bradna, Irene Hervey, Janet Beecher, Mary Carlisle, Holmes Herbert, Walter Kingsford, Erik Rhodes, William Collier Sr.

THE GREAT VICTOR HERBERT (1939) DIR – PROD Andrew L. Stone SCR Robert Lively, Russel Crouse (verhaal van Andrew L. Stone, Robert Lively) CAM Victor Milner ED James Smith MUS Arthur Lange CAST Allan Jones, Mary Martin, Walter Connolly, Lee Bowman, Judith Barrett, Susanna Foster, Jerome Cowan, John Garrick

THE HARD-BOILED CANARY (1941) DIR – PROD Andrew L. Stone SCR Andrew L. Stone, Robert Lively (verhaal van Andrew L. Stone, Robert Lively; naar een idee van Ann Ronell) CAM Theodor Sparkuhl ED James Smith MUS Phil Boutelje CAST Allan Jones, Susanna Foster, Diana Lynn, Margaret Lindsay, Lynne Overman, Grace Bradley, William Collier Sr., Jean Porter

STORMY WEATHER (1943) DIR Andrew L. Stone PROD William LeBaron SCR Frederick J. Jackson, Ted Koehler (adaptatie van H.S. Kraft; naar een origineel verhaal van Seymour Robinson, Jerry Horwin) CAM Leon Shamroy, Lee Garmes ED James B. Clark MUS Cyril J. Mockridge CAST Lena Horne, Bill ‘Bojangles’ Robinson, Cab Calloway and His Band, Katherine Dunham, Fats Waller, Dooley Wilson, Nicholas Brothers, Ada Brown

HI DIDDLE DIDDLE (1943) DIR – PROD Andrew L. Stone SCR Frederick J. Jackson (verhaal van Andrew L. Stone, Edmund L. Hartmann) CAM Charles Edgar Schoenbaum ED Harvey Manger MUS Phil Boutelje CAST Adolphe Menjou, Matha Scott, Pola Negri, Dennis O’Keefe, Billie Burke, June Havoc, Walter Kingsford, Barton Hepburn, Bess Flowers, Harold Miller, Bert Roach

SENSATIONS OF 1945 (1944) DIR Andrew L. Stone PROD Felix Jackson SCR Andrew L. Stone, Dorothy Bennett (verhaal van Frederick J. Jackson) CAM John J. Mescall, J. Peverell Marley ED James Smith MUS Heinz Roemheld, Mort Glickman, Mahlon Merrick CAST Eleanor Powell, Dennis O’Keefe, W.C. Fields, Sophie Tucker, Eugene Pallette, C. Aubrey Smith, David Luchine, Mimi Forsythe, Cab Calloway, Bert Roach

BEDSIDE MANNER (1945) DIR – PROD Andrew L. Stone SCR Frederick J. Jackson, Malcolm Stuart Boylan (verhaal van Robert Carson) CAM James Van Trees, John Mescall ED James Smith CAST Ruth Hussey, John Carroll, Charles Ruggles, Ann Rutherford, Claudia Drake, Renee Godfrey, Esther Dale, Grant Mitchell, Frank Jenks, Bert Roach

THE BACHELOR’S DAUGHTERS (1946) DIR – PROD – SCR Andrew L. Stone CAM Theodor Sparkuhl ED Duncan Mansfield MUS Heinz Roemheld CAST Gail Russell, Claire Trevor, Ann Dvorak, Adolphe Menjou, Billie Burke, Jane Wyatt, Eugene List, Damian O’Flynn, John Whitney, Earle Hodgins

FUN ON A WEEKEND (1947) DIR – PROD – SCR Andrew L. Stone CAM Paul Ivano ED Paul Weatherwax MUS Lucien Cailliet CAST Eddie Bracken, Priscilla Lane, Tom Conway, Allen Jenkins, Arthur Treacher, Clarence Kolb, Alma Kruger, Franklyn Farnum, Bess Flowers, Bert Roach

HIGHWAY 301 (1950) DIR – SCR Andrew L. Stone PROD Bryan Foy CAM Carl E. Guthrie ED Owen Marks MUS William Lava CAST Steve Cochran, Virginia Grey, Gaby André, Edmon Ryan, Robert Webber, Wally Cassell, Aline Towne, Richard Egan, Jack Perrin

CONFIDENCE GIRL (1952) DIR – PROD Andrew L. Stone SCR Andrew L. Stone (ook verhaal) CAM William H. Clothier ED Virginia L. Stone MUS Lucien Cailliet CAST Tom Conway, Hillary Brooke, Eddie Marr, Dan Riss, Walter Kingsford, John Gallaudet, Jack Kruschen

THE STEEL TRAP (1952) DIR – SCR Andrew L. Stone PROD Bert E. Friedlob CAM Ernest Laszlo ED Otto Ludwig MUS Dimitri Tiomkin CAST Joseph Cotten, Teresa Wright, Jonathan Hale, Walter Sande, Eddie Marr, Carleton Young, Katherine Warren

A BLUEPRINT FOR MURDER (1953) DIR – SCR Andrew L. Stone PROD Michael Abel CAM Leo Tover ED William B. Murphy MUS Leigh Harline CAST Joseph Cotten, Jean Peters, Gary Merrill, Catherine McLeod, Jack Kruschen, Barney Phillips, Mae Marsh

THE NIGHT HOLDS TERROR (1955) DIR – PROD – SCR Andrew L. Stone CAM Fred Jackman Jr. ED Virginia L. Stone MUS Lucien Cailliet CAST Jack Kelly, Hildy Parks, Vince Edwards, John Cassavetes, David Cross, Eddie Marr, Jack Kruschen, Jonathan Hale

JULIE (1956) DIR – SCR Andrew L. Stone PROD Martin Melcher CAM Fred Jackman Jr. ED Virginia L. Stone MUS Leith Stevens CAST Doris Day, Louis Jourdan, Barry Sullivan, Frank Lovejoy, Jack Kelly, Ann Robinson, Jack Kruschen, Carleton Young, Mae Marsh

CRY TERROR! (1958) DIR – SCR Andrew L. Stone PROD Andrew L. Stone, Virginia L. Stone SCR  CAM Walter Strenge ED Virginia L. Stone MUS Howard Jackson CAST James Mason, Rod Steiger, Inger Stevens, Neville Brand, Angie Dickinson, Jack Klugman, Carleton Young, Mae Marsh

THE DECKS RAN RED (1958) DIR Andrew L. Stone PROD Andrew L. Stone, Virginia L. Stone SCR  CAM Meredith M. Nicholson ED Virginia L. Stone CAST James Mason, Dorothy Dandridge, Broderick Crawford, Stuart Whitman, Katharine Bard, Jack Kruschen, Hanna Landy, John Gallaudet

THE LAST VOYAGE (1960) DIR – SCR Andrew L. Stone PROD – MUS Andrew L. Stone, Virginia L. Stone CAM Hal Mohr ED Virginia L. Stone CAST Robert Stack, Dorothy Malone, George Sanders, Edmond O’Brien, Woody Strode, Jack Kruschen, Joel Marston, George Furness

RING OF FIRE (1961) DIR – SCR Andrew L. Stone CAM William H. Clothier ED Virginia L. Stone CAST David Janssen, Joyce Taylor, Frank Gorshin, Joel Martson, James Johnson, Ron Myron, Marshall Kent, Doodles Weaver

THE PASSWORD IS COURAGE (1962) DIR Andrew L. Stone PROD Andrew L. Stone, Virginia L. Stone SCR Andrew L. Stone (biografie over Charles Coward van John Castle) CAM Davis Boulton ED Noreen Ackland MUS Virginia L. Stone, Christopher L. Stone, Tommy Reilly, Derek New CAST Dirk Bogarde, Maria Perschy, Alfred Lynch, Nigel Stock, Reginald Beckwith, Richard Marner, Ed Devereaux, Lewis Fiander

NEVER PUT IT IN WRITING (1964) DIR – SCR Andrew L. Stone PROD Andrew L. Stone, Virginia L. Stone CAM Martin Curtis, Davis Boulton ED Noreen Ackland MUS Frank Cordell CAST Pat Boone, Milo O’Shea, Fidelma Murphy, Reginald Beckwith, Harry Brogan, Nuala Moiselle, John Le Mesurier, Sarah Ballantine, Colin Blakely

THE SECRET OF MY SUCCESS (1965) DIR – SCR Andrew L. Stone PROD Andrew L. Stone, Virginia L. Stone CAM Davis Boulton ED Noreen Ackland MUS Roland Shaw CAST James Booth, Shirley Jones, Stella Stevens, Honor Blackman, Amy Dalby, Lionel Jeffries, Richard Vernon, Amy Dalby, David Davenport

SONG OF NORWAY (1970) DIR Andrew L. Stone PROD Andrew L. Stone, Virginia L. Stone SCR Andrew L. Stone (verhaal van Andrew L. Stone; musical van Milton Lazarus; toneelstuk van Homer Curran) CAM Davis Boulton ED Virginia L. Stone CAST Florence Henderson, Toralv Maustad, Christina Schollin, Frank Porretta, Edward G. Robinson, Harry Secombe, Robert Morley, Oskar Homolka

THE GREAT WALTZ (1972) DIR – PROD – SCR Andrew L. Stone CAM Davis Boulton ED Ernest Walter CAST Horst Buchholz, Mary Costa, Rossano Brazzi, Nigel Patrick, Yvonne Mitchell, Rossano Brazzi, Susan Robinson, George Howe, Vicki Woolf

Dit artikel is een herwerking van een interview dat in 2001 in het maandblad Filmmagie (website) werd gepubliceerd in de serie Hollywood Alltimers.