“Tom and Jerry” worden 80: hoe Metro-Goldwyn-Mayer mee aan het roer stond van de animatie short

Een kat met een duivelse blik. Een muis, klein, bruin, en zeer behendig. Een helse achtervolging in de keuken. Geen van beide heeft enig idee hoe het zal eindigen en wat er tijdens hun jacht kan of zal sneuvelen. Maar de kijker weet uit ervaring dat de muis zal zegevieren. Tom and Jerry zijn immers aan het werk.

Doorheen de meeste Tom and Jerry cartoons loopt dezelfde rode draad. Als je er enkele hebt gezien, heb je ze in wezen bijna allemaal gezien, maar het doet totaal geen afbreuk aan de charme van het tweetal om te blijven kijken. En dat begon allemaal precies tachtig jaar geleden toen “Puss Gets the Boot,” de allereerste van in totaal ca. honderdzestig Tom and Jerry cartoons, op 10 februari 1940 voor het eerst in de Amerikaanse bioscopen werd vertoond. Meer dan tien jaar geleden al werd de “Tom and Jerry Collection” geïntroduceerd, een fraai metalen koffertje met zes DVD’s die aan weerskanten beschreven zijn, goed voor ruim tien uur amusement met alle Tom and Jerry cartoons uit de periode 1940-1967 (een zevende DVD met de extra’s vervolledigde de collectie).

Tom and Jerry, twee van de meest geprezen cartoonfiguren uit de Amerikaanse korte animatiefilm, zijn ontsproten uit het collectieve en geniale brein van William Denby Hanna (1910-2001) en zijn compaan Joseph Roland Barbera (1911-2006), nadat studiobaas Louis B. Mayer het animatiedepartement van Metro-Goldwyn-Mayer extra wilde ondersteunen. Daar kwam het duo terecht, de creaties van Tom and Jerry werden er in 1940 boven de doopvont gehouden, en van bij het begin was de trend gezet die deze bioscoopcartoons zo herkenbaar zou maken: de intro met het MGM-logo en de herkenbare tune, de korte begingeneriek, de tijdsduur van elke cartoon die schommelt rond de zeven minuten, het slotbeeld met ‘The End – An MGM Cartoon – Made in Hollywood, USA,’ en vooral de cartoon zelf met het eindeloze kat-en-muisspel tussen de hoofdrolpelers in alle denkbare variaties. Een schitterende opwarmer voor de hoofdfilm van MGM die meteen daarop in de bioscoop zou volgen.

De befaamde intro van “Tom and Jerry”

De Hanna-Barbera tandem produceerde van 1940 tot 1958 in totaal honderdveertien schitterende cartoons op rij. Ze overleefden bovendien met succes de omschakeling naar CinemaScope (vanaf 1954), maar toch werden de jaren vijftig hoe langer hoe chaotischer (en dramatischer) voor de meeste filmstudio’s. Ook MGM, de grootste onder hen, deelde fors in de klappen. Oprichters en pioniers als Louis B. Mayer werden uit hun positie ontzet, een nieuwe wind blies door Hollywood (mede door de komst van televisie), en met het principe van ‘nieuwe bazen, nieuwe wetten’ doekte MGM wegens besnoeiingen in de budgetten zijn animatie-afdeling op (de gemiddelde kost van een Tom and Jerry cartoon varieerde toen van $ 45.000 tot $ 65.000).

Gevolg: de productie van Tom and Jerry werd voorlopig stopgezet en pas na drie jaar terug hervat. Een deel van de Amerikaanse filmproductie had toen al enige tijd zijn activiteiten naar het goedkopere Europa verplaatst (o.m. Italië en Spanje), en de Tom and Jerry cartoons volgden deze trend door ze in het voormalige Tsjechoslovakije te produceren. Onder leiding van Gene Deitch (geb. 1924) kwamen er in de periode 1961-1962 zo’n dertien nieuwe cartoons tot stand, waarmee het productiegemiddelde van Hanna en Barbera werd geëvenaard. Maar de Europese crew lukte er niet in om de magie van destijds terug op te roepen. De vertrouwde settings verdwenen, de aard van hun avonturen miste de warmte en de charme van weleer. Eén criticus schreef, ‘If you bumped into Tom and Jerry on the streets, you’d probably still recognize them.’ Erg veelzeggend. Alle inspanningen ten spijt, Deitch zijn MGM-contract werd niet verlengd.

Tom and Jerry dus terug naar af. Exit Gene Deitch, enter Chuck Jones (1912-2002). Deze animatieveteraan, bekend van o.m. Daffy Duck en Bugs Bunny, was eerder werkzaam bij Warner Bros. maar daar moest in 1963 op zijn beurt het animatiedepartment de deuren sluiten. Jones kreeg bij MGM als eerste opdracht het tweetal een facelift mee te geven. Zo kreeg Tom zwaardere wenkbrauwen om zijn agressieve temperament te benadrukken. Ook de begingeneriek kreeg een aangepaste sixties look, en de brullende MGM-leeuw werd afgelost door een miauwende Tom. De vierendertig afleveringen waarvoor Chuck Jones tekende van 1963 tot 1967, waren verfrissend in vergelijking met de Tsjechische jaren van Tom and Jerry. Op grafisch vlak waren ze stijlvol en de cartoons waren gevarieerd, maar toch was de vlam uit de pijp. Zoveel was duidelijk.

Het fenomeen Tom and Jerry had zijn beste tijd gehad. Andere pogingen om hen nieuw leven in te blazen, met o.m. een nieuwe serie voor de Amerikaanse televisie in 1975, en “Tom and Jerry: The Movie” (1992), waren nobel en eervol, maar bleven ondermaats in vergelijking met de gouden jaren van het Hanna-Barbera tijdperk: in de periode 1940-1954 werd de reeks immers bekroond met dertien Oscarnominaties (i.e. bijna elk jaar dus), wat resulteerde in liefst zeven Oscars.

De bekende zuilen aan de hoofdingang van Metro-Goldwyn-Mayer aan Washington Boulevard in Culver City, Californië. Foto: © Leo/Film Talk

Waarin schuilt de kracht van Tom and Jerry? In hun hoogdagen waren ze spitsvondig, origineel, hilarisch, gewoon subliem, met een aanstekelijke free-wheeling humor die dicht aanleunde bij het werk van die andere Amerikaanse animator Tex Avery (1908-1980), en wat probleemloos te illustreren is met enkele Tom and Jerry cartoons, zoals ‘The Lonesome Mouse’ (1943, hier te bekijken in drie delen: 1, 2, 3), wanneer Tom wordt gestraft en van zijn huisbaasje buiten moet slapen, maar Jerry bedenkt een list om hem terug binnen te krijgen en als partners in crime gaan ze zeven minuten lang door het dolle heen. Of wat dacht je van “The Bodyguard” (1944, hier ook opgesplitst in delen 1, 2 en 3) wanneer Spike, de hond, door Jerry wordt gered en zij bondgenoten worden. ‘Juuuuust wistle’ is het enige dat Jerry moet doen om Spike ter hulp te roepen, waardoor Tom telkens schaakmat staat in zijn strijd om de muis te vangen. Heel simpel, zelfs erg naïef, maar wel ijzersterk, oerdegelijk én bovendien onsterfelijk, zoals ze ook aantoonden in hun befaamde dansscènes in MGM-musicals, eerst met Gene Kelly in “Anchors Aweigh” (1945, hier enkel met Jerry the mouse) en vervolgens beiden aan de zijde van Esther Williams in ”Dangerous When Wet” (1953). In een tijdperk van opperste digitalisering is dit perfecte filmnostalgie ten voeten uit.

[Deze tekst is een bewerkte versie en een update van een artikel dat in 2006 in het filmmaandblad Filmmagie werd gepubliceerd.]