César Díaz: “Naast de gesproken taal is er ook de filmtaal, en die overstijgt alle grenzen”

Voor de uit Guatemala afkomstige documentairemaker César Díaz (geb. 1987) is “Nuestras madres” zijn debuutfilm als regisseur en scenarioschrijver. Centraal staat de identificatie van de talloze slachtoffers die in zijn geboorteland tijdens de jarenlange Guatemaleekse burgeroorlog (1960-1996) zijn vermist, en dat aantal is niet te onderschatten: er zouden naar verluidt circa tweehonderdduizend (overwegend Maya-indianen) omgekomen zijn tijdens de genocide die het land vooral in begin jaren tachtig van de vorige eeuw in zijn greep hield.

Het centrale personage in de film is Ernesto, een antropoloog in het Guatemala van vandaag. Hij is een man die op zoek gaat naar zijn vader nadat een vrouw hem op een dag komt vragen om haar man op te graven die was omgekomen tijdens een slachtpartij. Door een samenloop van omstandigheden wordt de film uiteindelijk een zoektocht naar zijn vader en ontdekt hij dat zijn persoonlijk verhaal een pak ingewikkelder is dan hij oorspronkelijk had kunnen vermoeden.

Met “Nuestras madres,” ook gekend onder zijn Engelse titel “Our Mothers,” won César Díaz de Camera d’Or op het afgelopen Filmfestival van Cannes, en de film werd eveneens voorgedragen als de Belgische inzending voor de Oscaruitreiking van 9 februari 2020. Hij staat vooralsnog vermeld op de zgn. longlist. De shortlist, wanneer er tien films uit worden geselecteerd die in de running blijven voor het goud, wordt volgende maand op 16 december bekendgemaakt. Indien “Nuestras madres” er dan nog bij is, wordt het uitkijken naar de Oscarnominaties (in januari 2020) wanneer de shortlist van tien films wordt teruggebracht tot de vijf genomineerden.

Tijdens het Filmfestival Oostende was César Díaz er te gast om zijn film te komen voorstellen. Hier volgt het gesprek met de man die zijn jeugd doorbracht in Mexico alvorens in Brussel en Parijs zijn opleiding als scenarist en regisseur te volgen. “Nuestras madres,” een co-productie van Guatemala, Frankrijk en België (zeventig procent van het budget is afkomstig uit ons land), loopt vanaf 13 november in de Belgische zalen.

Hoe begin je aan een film met zulk een beladen thema?

Daarvoor moet ik vele jaren teruggaan, vijf jaar om precies te zijn. De oorspronkelijke titel van de film was “Uspantan,” dat is de naam is van het dorpje waar ik voor het eerst het verhaal over een slachtpartij hoorde. Vijf jaar had ik eraan gewerkt, maar in die tijd was het dorp zodanig veranderd dat we er niet meer konden filmen. Ik had geen andere keuze dan op zoek te gaan naar een dorp met een gelijkaardig verhaal. In één ervan raakte ik meteen diep onder de indruk want toen ik er aankwam, namen verschillende vrouwen me bij de hand en toonden ze me de plek waar een bloedbad plaatsvond. Ze vertelden me alles wat er toen was gebeurd. De soldaten kwamen uit die richting, er gebeurde dit en dat. Ze vertelden het met zoveel overtuigingskracht, het klonk als een getuigenis, dat ik dacht, ‘Hier moet ik het verhaal verfilmen.’ We hebben toen heel veel gepraat over alles wat er is gebeurd en dat was meteen de aanzet van de film.

Hoe zou je “Nuestras madres” best kunnen omschrijven?

In de eerste plaats als een zoektocht. Ik ben vertrokken vanuit een personage [archeoloog Ernesto, gespeeld door Armando Espitia] dat bepaalde leegtes in zijn leven wil opvullen en vragen wil beantwoorden. Dat is wat hij in de film voor ogen heeft, en zijn zoektocht brengt hem langs een bepaald dorp en door de vrouwen die hij er ontmoet, hoopt hij antwoorden te vinden en de waarheid te kunnen achterhalen. Zo is het verhaal opgebouwd.

Hoe heb je dat allemaal in je scenario kunnen verwerken?

Een scenario is altijd een evenwichtsoefening: wat zeg je, wat zeg je niet, wat ga je laten zien, en wat niet, en wanneer ga je het laten zien. Ik heb het verhaal opgebouwd als een politieonderzoek, dat leek me een nuchtere benadering.

En wat je toont, is dat ook de realiteit?

Film is altijd een interpretatie van de realiteit, maar in een land dat een gruwelijke genocide heeft meegemaakt, vind je er overal sporen van terug en moet je het niet ver gaan zoeken. Zelfs mensen die er niet over willen praten, ook zij dragen dat verleden altijd met zich mee.

De keuze van acteurs is heel belangrijk geweest, en ze dragen allen bij tot het sterke verhaal dat je brengt. Hoe is de casting precies verlopen?

Dat was een werk van lange adem. Voor het personage van Ernesto heb ik ongeveer vijfhonderd mensen gezien en gesproken. In het begin wilde ik iemand die geen acteur was, dus zocht ik bij verenigingen en studentenbewegingen, maar van zodra ik Armando Espitia had gevonden, wist ik dat hij de geschikte persoon was, ook al hadden we veel werk voor de boeg om het personage op te bouwen. Wat voor iemand is hij, hoe functioneert hij, hoe denkt hij…

En de twee hoofdactrices, Emma Dib, en vooral Aurelia Caal, die de rol van Nicolasa speelt?

Emma Dib is een actrice, Aurelia Caal niet. Voor haar was het de eerste keer dat ze voor de camera stond. Maar ze was heel natuurlijk en misschien komt het net doordat ze nooit iets met film of camera’s heeft gedaan, dat het zo goed heeft gewerkt. Ik kende haar voordien helemaal niet. Oorspronkelijk wilde ik iemand zoeken die zelf een oorlogsslachtoffer was, maar nadien dacht ik, ‘Nee, ik heb niet het recht om gebruik te maken van iemands persoonlijke voorgeschiedenis, haar in mijn film laten spelen, en haar dan op het einde van de opnamen te bedanken—merci beaucoup—en haar aan haar lot over te laten.’ Dat mocht niet. En zo werd Aurelia Caal, die de oorlog heeft overleefd maar zelf geen oorlogsslachtoffer is, met haar personage van Nicolasa uiteindelijk iemand die veel vrouwen vertegenwoordigt. Ik heb haar gevonden door te casten in de verschillende dorpen waar we zijn langsgeweest. Ze is nu heel trots op de film en ook omdat zij met haar rol de stem is van een hele generatie vrouwen, is ze de reïncarnatie van alle oorlogsslachtoffers waardoor ze mee een stuk geschiedenis heeft geschreven.

De scène van de getuigenis, wanneer het personage van Cristina haar verhaal komt vertellen over hetgeen haar is overkomen, is wel heel bijzonder. Hoe heb je dat op de set aangepakt?

Dat was de laatste draaidag. We hadden die scène heel goed ingeoefend en drie takes volstonden, uiteindelijk hebben we de eerste behouden. Maar met een totaal van honderdtachtig figuranten was het een erg gecompliceerde scène om te draaien. Niemand van de figuranten wist overigens waar het over ging, en een aantal onder hen waren zichtbaar aangedaan. De keuze van de take die uiteindelijk in de film terechtkomt, dat is heel intuïtief. Ik beeld me in dat ik de film in de zaal bekijk, en hoe zou ik er dan op reageren als ik die scène zou zien. En als het bij mij iets losmaakt, dan wordt dat de take die ik in de film wil en kan ik enkel maar hopen dat het bij anderen ook zo overkomt. Het is gewoon een kwestie van aanvoelen, en je moet ook vertrouwen hebben in jezelf en in de keuze die je maakt. En er nadien niet meer op terugkomen, want dan ga je beredeneerd te werk en vergeet je hoe het je gevoelsmatig heeft geraakt en waarom je die bepaalde take hebt gekozen.

Wanneer het personage van Ernesto in zijn onderzoek de skeletten samenstelt, gebruik je een topshot. Wat was de reden daarvan?

Telkens we een schedel in beeld brachten, was dat een mens, iemand van vlees en bloed. De beenderen waren geen beenderen meer, ze hoorden toe aan een mens. Ik heb het er met Virginie [DOP Virginie Surdej] vaak over gehad hoe we dat zo sereen mogelijk in beeld konden brengen, want je moet daar voorzichtig mee omspringen. Uiteindelijk kozen we voor een topshot, om duidelijk te maken hoe je een lichaam samenstelt, en zo kon die persoon terug tevoorschijn komen. Je geeft die persoon zijn of haar identiteit terug nadat die werd afgenomen toen hij of zij werd vermoord. Het heeft iets poëtisch, vind ik, en je moet zoiets ook met waardigheid en respect vertellen. Als je dat van boven uit filmt, lijkt het erop dat die mens daar ligt in vrede en rust.

Was het een grote aanpassing voor je om de overstap te maken van documentaires naar je eerste speelfilm?

Ik weet niet of er zo’n groot verschil is. Ik bedoel, voor mij is documentaire ook een filmgenre, want je vertelt ook een verhaal. Maar “Nuestras madres” biedt me nu wel heel wat mogelijkheden, zeker na Cannes en de Camera d’Or, en de film is dan ook nog de Belgische inzending voor de Oscars. Het toont nog maar eens aan dat cinema een universeel gegeven is—naast de gesproken taal is er ook de filmtaal, en die overstijgt alle grenzen. Want uiteindelijk is het een Spaanstalige film van een buitenlandse regisseur die Belg is geworden maar die zich wel afspeelt in de regio waarvan hij—ik dus—afkomstig is. Hij geeft de acteurs in de film eveneens meteen een plaats: ook zij kunnen België vertegenwoordigen, zij maken ook deel uit van heel het verhaal.

Hoe is de film in Cannes ontvangen, hoe heb je dat zelf ervaren?

Ik was heel gespannen tijdens de voorstelling. Ik hield het publiek heel nauwlettend in het oog, en ik herinner me nog heel goed elke persoon die de zaal heeft verlaten [lacht]. Het waren drie mensen in totaal. Maar op het einde van de film stond iedereen recht en waren er veel mensen zichtbaar ontroerd. Toen ik nadien zelf de zaal verliet, werd ik door heel wat mensen aangesproken.

Kan je al iets vertellen over je volgende film?

Ja, die zal in Brussel worden opgenomen. Op logistiek vlak wordt het een pak gemakkelijker dan werken in Guatemala, al was het maar omdat we dan geen honderden kilo’s aan filmmateriaal moeten meenemen in vaak moeilijke omstandigheden.

Filmfestival Oostende,
9 september 2019

[De trailer van “Nuestras Madres”]

NUESTRES MADRES (2019) DIR – SCR César Díaz PROD Delphine Schmit, Géraldine Sprimont CAM Virginie Surdej ED Damien Maestraggi MUS Rémi Boudal CAST Armando Espitia (Ernesto), Emma Dib (Cristina), Aurelia Caal (Nicolasa), Julio Serrano Echeverria, Victor Moreira